Inleiding

De ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse kunstmestindustrie kent veel fusies, overnames en naamsveranderingen. Veel van de huidige bedrijven zijn weliswaar ontstaan als productielocaties van óf stikstof- óf fosfaatmeststoffen, maar intussen maken vrijwel alle bedrijven een grote selectie aan N, P én K-houdende meststoffen. Een ontstaansgeschiedenis van de huidige Nederlandse productielocaties. In de tekst zijn de huidige VKP-leden aangegeven met een link naar hun website. De informatie is onder meer afkomstig uit de onder bronnen vermelde publicaties.

Fosfaatmeststofproducenten

Eind negentiende eeuw werden in Nederland drie kleinschalige superfosfaatfabrieken opgezet: in 1875 Salomonson in Capelle aan de IJssel, in 1882 Coenen en Schoenmakers in Uden en Van Hoorn, Luitjens en Kamminga in Groningen. In 1895 werden in Zwijndrecht de grootschaligere Internationale Guano en Superphosphaat Werken opgericht, waar ook het zwavelzuur voor de productie zelf werd gemaakt. In 1895 kreeg de fabriek van Salomonson een nieuwe naam: Centrale Guano Fabrieken (CGF). CGF bouwde in 1904 en in 1910 ook twee zwavelzuurfabrieken en werd zo de grootste zwavelzuurproducent van Nederland.

CGF fuseerde in 1915 met de Internationale Guano en Superphosphaat Werken en Van Hoorn, Luitjens en Kamminga tot de Vereenigde Chemische Fabrieken (VCF). In 1907 werd de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek ASF opgericht en in 1910 de superfosfaatfabriek 'Holland' in Pernis. In 1913 nam de ASF de 'Holland' over. In 1917 fuseerde VCF met ASF tot ASF-VCF. In 1948 werd ASF-VCF omgezet in één vennootschap onder de naam 'Albatros Superfosfaatfabrieken'. In 1959 richtte deze firma, samen met een Amerikaans bedrijf, de 'Albatros Zwavelzuur en Chemische Fabrieken' op, waar uit de delfstof pyriet zwavelzuur geproduceerd werd. Beide bedrijven werden aan het eind van de vijftiger jaren eigendom van de Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie KNZ (later Akzo), maar behielden hun naam. In 1962 gingen de Albatros-fabrieken samen met een producent van stikstofkunstmest, MEKOG in IJmuiden, waarbij de Verenigde Kunstmestfabrieken Albatros-MEKOG (VKF) ontstond. Dit bedrijf leverde stikstof-, fosfaat- én mengmeststoffen en was voor 40% van Shell, voor 40% van Koninklijke Nederlandse Zoutindustrie KNZ en voor 20% van Hoogovens. In 1970 fuseerde VKF met de kunstmestproducenten van de Staatsmijnen (later DSM), waaruit de Unie van Kunstmest Fabrieken UKF voortkwam. In 1973 trokken Hoogovens en KNZ (inmiddels Akzo) zich terug uit de UKF en werd het bedrijf voor driekwart eigendom van DSM en voor één kwart van Shell. UKF werd in 1979 een volledige dochter van DSM, dat echter in 1982 de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek aan het Israëlische bedrijf ICL verkocht. De Amsterdamse productielocatie heette Amsterdam Fertilizers B.V. (AMFERT). Met ingang van 1 januari 2008 zijn alle activiteiten van AMFERT overgegaan naar de nieuwe vennootschap ICL Fertilizers Europe C.V. DSM droeg de fosfaatfabriek in Pernis in 1988 over aan het Finse bedrijf Kemira Oy, dat sinds 1951 die naam draagt, maar is voortgekomen uit een Finse superfosfaatfabriek die in 1920 werd opgericht. Deze productielocatie droeg de naam Kemira Agro Pernis B.V. en heet nu Kemira GrowHow B.V.. In juli 2000 is Kemira Agro gestopt met de productie van fosforzuur, zwavelzuur en DAP/MAP in Pernis. Naast een overcapaciteit op de wereldmarkt van fosforzuur en de afgeleide fosfaatkunstmestproducten DAP/MAP, worden de relatief hoge productiekosten en noodzakelijke milieutechnische investeringen genoemd als reden voor de sluiting. In 1917 werd de Eerste Nederlandse Coöperatieve Kunstmestfabriek (ENCK) opgericht, de productie van superfosfaat in Vlaardingen startte in 1921. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ligt in Nederland de productie van ENCK stil, maar wordt op het Afrikaanse continent de kiem gelegd voor de Windmill-dochters. Het internationale bedrijf wisselt diverse malen van aandeelhouders en eigenaars, neemt deel aan mengmestbedrijf Deltachemie en maakt onder andere deel uit van het Amerikaanse bedrijf CRC, waarna ENCK in 1970 ophield te bestaan als coöperatief bedrijf. In 1986 wordt de toenmalige eigenaar COFAZ (Compagnie Française de l'Azote) overgenomen door de Noorse kunstmestproducent Norsk Hydro. Bij een reorganisatie in 1989 is het bedrijf omgedoopt tot Hydro Agri Rotterdam BV. Dit bedrijf heeft op 31 december 1999 haar fosforzuurfabrieken gesloten in verband met milieu-eisen en is opgeheven.

In 1919 startte de productie van superfosfaat en zwavelzuur op de locatie in Sas van Gent, waarvoor de N.V. Nieuwe Nederlandsche Maatschappij tot Vervaardiging van Spiegelglas, Glazen Voorwerpen en Chemische Producten (eigendom van het Franse bedrijf Saint-Gobain) in 1912 het startsein had gegeven. In 1962 werd de naam gewijzigd in Zuid-Chemie. In 1972 was het bedrijf in handen van het Franse Pechiney - Saint Gobain en werden de kunstmestdivisies van dit bedrijf samengevoegd met die van Produits Chimique Kuhlman onder de naam Generale des Engrais (G.E.S.A.). Na verschillende aandelenovernames vanaf 1979 komt het bedrijf in 1987 voor 70% in handen van Orkem en voor 30% van Air Liquide onder de naam Société Chimique de la Grande Paroisse. In 1990 neemt Elf Atochem, de chemische tak van de Franse multinational Elf Aquitane, de aandelen van Orkem over, vijf jaar later wordt het eigenaar van 81% van de aandelen. Sinds juli 2006 maakt Zuid-Chemie deel uit van de Groep Rosier en op 14 september 2009 verandert de naam Zuid-Chemie B.V. in Rosier Nederland B.V.

Stikstofmeststofproducenten

In 1920 startte de eerste cokesfabriek van de Staatsmijnen (later DSM). Het gas dat bij dit proces vrijkwam, werd vanaf het begin ingezet voor de fabricage van bijproducten voor de chemische industrie, zoals ammoniak. In 1930 werd bij de Staatsmijn Maurits het Stikstofbindingsbedrijf in gebruik genomen, dat met het gas uit de cokesfabriek de kunstmest zwavelzure ammoniak produceerde en uitgroeide tot het belangrijkste nevenbedrijf van de Staatsmijnen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de vraag naar stikstofmeststoffen zo snel, dat de cokesovengasprodcutie niet meer genoeg waterstof voor de ammoniakbereiding kon leveren. Andere bereidingswijzen werden ontwikkeld, zoals het bij DSM ontwikkelde procédé voor de nieuwe hoogwaardige kunstmest ureum. DSM maakte van steenkolen onder meer caprolactam, een belangrijke grondstof voor kunststoffen. Bij dit proces ontstaat als nevenproduct vijf maal zo veel zwavelzure ammoniak als caprolactam. 'Deze zwavelzure ammoniak werd als kunstmest verkocht. DSM bouwde in Geleen een nieuwe zwavelzuurfabriek, waarvoor uit Rotterdam tankschepen met zwavel werden aangevoerd. Daarnaast produceert DSM Agro op dezelfde locatie sinds 1932 de stikstofmeststof kalkammonsalpeter.' In 1929 richtten Shell en Hoogovens gezamenlijk de Maatschappij tot Exploitatie van Kooksovengas (MEKOG) in IJmuiden op. In 1961 fuseerde MEKOG met de Albatros Superfosfaatfabrieken tot de 'Verenigde Kunstmestfabrieken MEKOG-Albatros' (VKF). (Zie hiervoor ook de paragraaf over fosfaatmeststofproducenten) Samen met BASF stichtte VKF in 1964 de Ammoniak Unie die een ammoniakproductielocatie in Pernis bouwde. VKF en de meststoffenbelangen van DSM werden in 1972 samengevoegd tot de Unie van Kunstmestfabrieken UKF, die later een volledige DSM-dochter werd. De productielocatie van MEKOG maakt inmiddels deel uit van DSM Agro B.V.. De ammoniakproductie in Pernis werd overgenomen door Kemira Oy en maakte deel uit van Kemira Agro Pernis B.V.. In 1930 vestigde het Italiaanse bedrijf Montecatini in Sluiskil 'La Compagnie Néerlandaise de l'Azôte', dat haar naam in 1964 in de Nederlandse Stikstof Maatschappij NSM veranderde. NSM breidde in de jaren vijftig en zestig flink uit en opende in 1971 een grote ureumfabriek. In 1979 kwam de NSM in handen van het Noorse bedrijf Norsk Hydro, sinds 1989 droeg het de naam Hydro Agri Sluiskil B.V. en is thans de grootste producent van enkelvoudige meststoffen in West Europa. Op 25 maart 2004 heeft de kunstmestsector van Hydro Agri een eigen notering gekregen op de Effectenbeurs van Oslo. Sinds die datum is de naam Hydro Agri Sluiskil gewijzigd in Yara Sluiskil B.V.

Esso Chemie zette in 1968 in Rozenburg een fabriek op voor de productie van stikstofmeststoffen. In 1985 had Kemira Oy deze faciliteiten overgenomen, die uiteindelijk onder de naam Kemira Rozenburg BV doorgingen. Onder druk van overcapaciteit op de stikstof markt, een stuctureel dalende vraag en omvangrijke importen was Kemira Agro genoodzaakt om de productie van ammoniak, ureum, kalkammonsalpeter en urean te beëindigen.

Bronnen:

  • "Windmill, Wieken naar de Wind gekeerd" door Dirk de Wit (1990), ISBN 90-9003352-1, uitgegeven door Hydro Agri Rotterdam B.V.
  • "Thirty-Five Years of Nitrex AG" door: Th.P. van Berkel (1997), uitgegeven door Nitrex AG, Hochhaus zur Palme, Bleicherweg 33 in Zurich, Zwitserland.
  • "The Fertilizer Industry of the European Union", brochure van de European Fertilizer Manufacturers' Association in juni 1997.
  • "Delfstoffenwinning en Chemische Industrie - een geschiedenis en bronnenoverzicht" door J. ten Hove (1993), ISBN 90-71617-57-2, uitgegeven door het Nederlansch Economisch- Historisch Archief in Amsterdam.
  • "www.kemira.com"


  • Top